In deze rubriek interviewt Thieu Vlemmix meer of minder bekende Zeelstenaren.
      In “De Rustverstoorder” verschijnt een korte versie, het uitgebreide verhaal kunt u hier lezen.

Jan Meeuwis,

Van Gestelse melkboer tot UNA man,

Voor het eerst sinds ik het lepeltje namens de KBO in de koffie roer bij leden van de Zeelster seniorenorganisatie, is er eens geen sprake van een geboren, zelfs niet van een getogen, Zeelstenaar. Maar wel van iemand die er de helft van zijn leven heeft gewoond, met de Zilsterse Nel was getrouwd en intussen dus rotsvast verankerd is in het dagelijkse Zeelster leven. Jan Meeuwis, hij is geboren in het Eindhovense Gestel. Op de Blaarthemseweg 127 om precies te zijn. Een geboortige ‘Blauwbuik’ dus.

Voelt hij zich intussen van dat stempel ontheven of juist niet?

“Nee”, zo klinkt het overtuigend. “Ik ben er trots op. Evenals ik er trots op ben, om Zeelstenaar te zijn”, zo haast hij zich eraan toe te voegen. En hij meent het, nu hij met handen en voeten verankerd is aan de Zeelster bodem. Kan dat, twee soorten navelstrengen? Ja dat kan, bij Jan.

Zijn vader Graad werkt eerst als boerenknecht in Oirschot en later bij boer Van de Zande in Oerle. Daarna wordt er verhuisd naar boer Kox op de Blaarthemseweg. En dan  komt het: de buur dat is boer Jansen en de dochter daarvan is ‘toevallig’ ene Petra. Petra ontmoet Graad en zo is het gekomen. Ze gaan bij hun trouwen wonen in de bovenwoning van Kox. En ja hoor, daar wordt niet veel later, in 1942 ‘ons Jantje’ geboren. Zijn ouders stappen over naar het bezorgen van melk in Gestel. En zodra ons Jantje met zijn veertien jaar meer Jan is, en er een klein beetje klaar voor, mag ook hij de baan op.

Ze laten hem het vak leren bij de broer van zijn moeder. Eerst gaat het bezorgen met de bakfiets, dan met paard en wagen, vervolgens de accuwagen en tenslotte met de bestelbus.

Maar hoe kom je dan in Zeelst terecht?

“Nou”, zo luidt zijn verhaal, “intussen speelt zich een andere ontwikkeling in mijn jonge leven af. In 1963 zit ik op legerplaats Oirschot in militaire dienst. Onder de maten doet dan het gerucht de ronde dat er in Zeelst een mooie nieuwe kroeg is geopend”.

Het blijkt te gaan om ‘café de Zwaan’. En bij het eerste bezoek het beste, valt het Jan al op dat eigenaar Jan van den Boomen maar liefst vier leuke  dochters heeft. Toch duurt het nog bijna twee jaar alvorens de schuchtere jonge militair de eerste echte avances durft te maken naar zijn favoriete Nel. “Ze werkt als verpleegster in Dordrecht, daar ben ik dan intussen wel achter”, zo vertelt ie verder, “En tussen het friet halen bij Piet de Bont door, ontstaat er meer en meer contact met Nel”. Dat die friet regelmatig koud wordt opgegeten, deert de twee natuurlijk niet.  

Nee is nee

Jan: “Zodra alles een beetje een beetje serieuzer begint te worden, komt ‘aanstaande’ schoonmoeder Sjaan steeds meer in beeld. En ik wordt voor de keuze gesteld om ofwel achter de bar te mee te helpen, of te oberen. Maar als dun Blauwbuik iets niet wil, dan gebeurt dat ook niet”.

Zelfs niet als daarmee zijn verkering op de tocht dreigt te komen staan. Hij weigert. Dat valt, voorzichtig uitgedrukt, niet in goed in de Zeelster zandgrond.

Later zal alles toch weer goed komen en kunnen Sjaan en Jan uiteindelijk prima door één deur. En als Jan eens toezegt dat ze hem altijd mag bellen om haar – waarheen dan ook – te vervoeren, al is het midden in de nacht, is de ban definitief gebroken. Ze breit daarna zelfs talloze sokken voor haar nu meer en meer favoriete schoonzoon. Niks staat hun huwelijk in de weg. In 1966 trouwen ze en gaan wonen in de door (schoon)vader Jan tot woonhuis omgebouwde garage.  

Hoe zou je Nel willen omschrijven?

“Een goeie, bijzonder vrolijke vrouw. Een superkok ook. En een geweldige gastvrouw. Je kon veel met haar lachen en op partijen is ze een gangmaker. Regelmatig wordt er bij ons op de Heuvel 44 (hele fijne leefomgeving) op het raam geklopt met de uitnodiging om te gaan stappen. Meestal naar Jo van den Heuvel en Leentje toe. Daar danst Nel nogal eens op de tafel. En drinken kan ze al vroeg als de beste (kan van mij niet gezegd worden). Als ze een keer diep in het glaasje heeft gekeken, dan schudt ze s‘morgens even haar hoofd en alles is weer oké. Haar familie (Jansen) komt elke Zeelst Kermis naar hier. Dat heeft vooral te maken met Narda Baetsen die een zus is van Petra – de moeder van Nel. Dan kan de lol niet op. Helaas is Nel twaalf jaar geleden overleden. Samen met onze dochter Rian en schoonzoon Frank halen we nog regelmatig geweldige herinneringen aan haar op“.    

Unne goeie speuler vur UNA

Toen hij trouwde, is Jan niet veel later ook meteen een huwelijk met UNA aangegaan. Dat komt eigenlijk door Nel’s broer Hans. Tijdens een feestje wordt het idee geopperd om te gaan sporten. Het wordt voetballen. Hans haalt bij penningmeester Martien Keeris de papieren op en als het door Jan betaalde  inschrijfgeld van tweeënhalve gulden is voldaan, zijn beide lid. Zodra Piet van Hoof namens UNA voor het eerst contributie komt ophalen en merkt dat Jan unnun buitendurrupse is, dan luidt zijn reactie: “Dan zulde gij wel unnun hille goeie speuler zen”. Iemand van buiten beschouwt men bij UNA in die tijd doorgaans als een voetbalaanwinst.

Jan is er snel ingeburgerd. Zijn voetballen is niet van de allerbeste kwaliteit, maar wat zou het. Hij heeft nog andere eigenschappen. Zo wordt hij op voorstel van Fransk van Lieshout trainer van B2. En wie commentaar levert, zit er al gauw aan vast. In dit geval de kantine. Jan uit zijn mening dat het in de kantine niet goed loopt. Jan Krüger en Walther Soetens nodigen hem daarom uit om in het bestuur zitting te komen nemen en er vanuit die positie iets aan te doen. En zo wordt hij meteen tot voorzitter van de kantinecommissie gebombardeerd. Volgens Jan heeft een kantine behoefte aan een beheerder en die komt er: Fer Boogers. Dat is dan meteen ook het begin van de carrière van Jan Meeuwis bij UNA. En ‘als manusje van alles’ fungeert hij daar nu nog….