DE PEN OPGEPAKT

In deze rubriek beschrijft een KBO-lid zijn of haar hobby en geeft vervolgens de pen door. 
Dit keer Frans Kruter, die zijn passie beschrijft. 

Van Bergeijk naar Compostella

Van Jos heb ik De pen gekregen met het verzoek een stukje te schrijven. Nou, dat kan ik natuurlijk niet weigeren! En ik wil graag schrijven over mijn hobby: Wandelen.

Mijn naam is Frans Kruter en ik ben net na de oorlog geboren in Eindhoven, in het stadsdeel Woensel. Ben getrouwd en na enkele jaren in Eindhoven gewoond te hebben zijn wij verhuisd naar de toen nieuwe wijk Zeelst-Oost. Daar wonen we nu vanaf 1978. Dus ik mag wel zeggen dat ik nu ook wel ”unne echte Zilster” ben, niet dan?

Hier in de wijk hadden we een fanatiek hardloop groepje. Van daaruit heb ik verschillende halve marathons en twee hele marathons gelopen. Ook liep ik regelmatig met mijn toenmalige achterbuurman Jef van Rooij. Wij werden ouder en we kregen wat blessures en we besloten om samen te gaan wandelen. De afstanden werden steeds wat meer opgevoerd. Steeds fanatieker. We hadden weleens van de Kennedymars gehoord en we vroegen ons af of dat ook niks voor ons was. We besloten om daarvoor te gaan trainen. De afstanden werden steeds groter en we waren steeds vaker van huis.

Toen was het eindelijk zover. Het zou de Kennedymars van Bergeijk worden.
’s Avonds om 22.00 uur starten om de 80 kilometer te gaan wandelen. Niet niks. Ik weet nog toen we samen ’s nachts over de Leenderhei liepen, dat ik aan Sjef vroeg of hij ook allemaal olifanten en leeuwen over zag steken. Zo moe was ik! Overal waar een pauze was stopten we. We dachten dat dat verstandig was. Nou, we hebben het geweten! De laatste stop in Valkenswaard was bij café de Dommelstroom. Wij verlieten het café werkelijk als twee ouwe mannen. Konden bijna niet meer lopen, zo stijf waren onze knoken! We kwamen toch weer wat langzaam op gang en heel trots zijn we Bergeijk rond 12 uur binnengewandeld. Niet slecht voor de eerste keer. Daarna hebben we er samen diversen gelopen. Waaronder die van Sittard en Someren. We liepen echt fanatiek. Over de 80 km deden we precies 12 uur. Even zwetsen in dit verslagje mag wel, hè?

Maar wat gebeurde? Ik zag op de televisie tijdens een reclame, een man met een rugzak op weg naar Santiago de Compostella wandelen. Ik was daarvan helemaal onder de indruk. Wat zou mij dat leuk lijken om daar naartoe te wandelen, dacht ik. Ik ging er steeds meer over lezen en kwam erachter dat het een echte pelgrimstocht was met als einddoel Santiago de Compostella, van de heilige Saint-Jacques. Het greep me steeds meer. Ik ging wandelaars volgen op internet. Nou stond het internet rond 2003 nog behoorlijk in de kinderschoenen dus zoveel viel er nog niet te lezen toen.

In november 2004 zou ik met pensioen gaan. Ik had besloten om in april 2005 vanuit Vessem te starten. Ik nam geen kaarten mee, die hadden de pelgrims van vroeger ook niet bij zich. Wel had ik op verschillende papiertjes de plaatsen geschreven waar ik in ieder geval doorheen wilde lopen. Geen slaapplaatsen geregeld, niks. Jawel, eentje in de abdij van Postel. Daar kom ik dadelijk nog wel op terug.

Bij de outdoor winkel had ik al mijn spullen gekocht waaronder natuurlijk een goeie rugzak, poncho, schoenen en sokken. Zeg maar, al de spullen die je nodig hebt als je zo’n trip gaat ondernemen. Bij de toenmalige Kampeermarkt kocht ik kampeerspullen. Samen met Sjef hadden we echt honderden kilometers als voorbereiding gewandeld.

Op 3 april 2005 was het dan eindelijk zover. Sjef en ik vertrokken vanaf ons huis naar Vessem, naar de Jacobushoeve. De Jacobushoeve is een plaats waar regelmatig pelgrims langs komen en ze kunnen daar ook slapen. Ook wel bijzonder is dat mijn schoonmoeder daar geboren is.

Broeder Fons zou mij de afscheidszegen geven en nadat ik daar in het stiltecentrum nog een kaarsje had aangestoken werd het tijd om te vertrekken. Daar afscheid genomen van mijn vrouw, familie, vrienden en oud-collega’s en Sjef en ik gingen aan de wandel. Ja, Sjef zou tot Postel meelopen.

Toen we net goed onderweg waren zagen we een wandelaar volgens ons de verkeerde kant oplopen. Hij had een rugzak met een schelp. Een Jacobsschelp is het teken van de pelgrims op weg naar Santiago. Ik zei tegen Sjef, “verrek zou die ook naar Spanje wandelen?” Dus wat doe je dan? Roepen, toch! Dus ik, niet te flauw: “hé, bende gij ook onderweg naar Santiago?” “Ja”, zei hij. “Nou, dan loop maar met ons mee, want ge loopt de verkeerde kan op!” Is dat toeval, of niet?

Broeder Fons had bij het verlaten gezegd, “onthoud één ding: niks is toeval en alles komt goed.” Dat zou ook mijn lijfspreuk worden. Samen liepen we naar Postel. Ik melde me bij Pater Benny. Met hem had ik tijdens mijn voorbereiding contact gehad en ik kon daar slapen. De andere wandelaar ging nog even terug naar Vessem want daar woonde zijn zus. Hij had ook wat problemen met zijn voet. Hem heb ik onderweg niet meer getroffen.

Nou weet ik niet of jullie ooit in Postel in de Kluis zijn geweest, maar daar heb je ook een slaapplaats waar volgens mij vroeger alcoholisten, smokkelaars en zwervers mochten slapen. Het was echt helemaal niks. Alleen wat oude bedden en een kraantje met koud water waar ik me kon wassen. De volgende morgen had ik me verslapen en zodoende had ik de mis gemist en was er niks te eten. God straft onmiddellijk, zal ik maar zeggen.

Na een lange wandeling kwam ik in Retie aan en wel in Webbekom. Zoals ik al zei, ik had niks voorbereid. Ik wist van gekkigheid niet waar ik zou moeten slapen. Mijn tent opzetten ging daar ook niet. Ik besloot om naar de kerk te wandelen met het idee dat daar de pastoor wel naast zou wonen. Jawel, ik had geluk. Naast de kerk stond inderdaad een groot huis. PASTOOR stond er met grote letters op het naamplaatje. Dat treft, dacht ik. Ik belde aan en een man deed open. “Ha, U bent meneer Pastoor?” vroeg ik. “Ja”, zei ie. Ik zei, “zoals U ziet ben ik een pelgrim op weg naar Santiago.” Ik had namelijk gelezen dat als ik dat zou zeggen ik dan meer kans zou maken om binnengelaten te worden. “Hoe weet ik nou da de gij unnen pelgrim bent?” vroeg ie op z’n Bels. “Dat ziet U aan mijn schelp,” zei ik heel wijs. “Oh ja, ik zie het, kom maar binnen. Het is wel een groot huis maar ik heb maar één bed en daar slaap ik op.” Ik had een slaapmatje bij me, dus geen probleem. Hij vertelde dat hij wat argwanend was geworden omdat hij enkele dagen eerder was overvallen. Ik heb daar een geweldige tijd gehad. Na een goed verzorgd ontbijt, wat hij voor mij had klaar gemaakt, ging ik weer onderweg. Bij die pastoor zou ik later nog een keertje slapen en we hebben lang contact gehad samen.

Het zoeken van slaapplaatsen ging onderweg steeds beter. Als ik geen plek had om mijn tent op te zetten meldde ik me bij het plaatselijke Office de Tourisme. Ik zei dan dat ik onderweg was naar Santiago en vroeg of ze een slaapplaats voor mij hadden. Dat lukte werkelijk iedere keer.

Ik heb overal geslapen: in scholen, een judozaal en zelfs in een feestzaal. Geen probleem! Waar ik wel af en toe problemen mee had was het eten. Zeker in Frankrijk. Kwam ik weer in een plaats met een geweldig mooie naam, was er geen restaurant of supermarkt. Dan ging ik maar weer met een lege maag slapen. Volgende dag beter.

Dat wandelen in Frankrijk was echt zwaar. Helemaal alleen. Zonder iemand tegen te komen. Laat staan iemand te spreken. Niet dat ik vloeiend Frans sprak. Echt niet, geen woord. Maar toch, dat viel niet mee. Ik had ook geen idee waar ik in Frankrijk liep. Ik had geen kaart.

Na een tijdje kwam ik aan in Saint-Jean-Pied-de-Port. Dat is het laatste plaatsje in Frankrijk en vandaar vertrekken pelgrims werkelijk vanuit de hele wereld. Zo liep ik dagen alleen en toen ineens al die drukte. Ik wist niet wat me overkwam! Vandaaruit ging ik de Pyreneeën over naar Roncesvalles. Daar was een herberg waar ongeveer 120 pelgrims voor €5 konden slapen. Je kunt je voorstellen wat een gesnurk het daar was met al die vermoeide pelgrims! De stapelbedden stonden daar zowat tegen elkaar.

Voor achten moesten we de herberg verlaten hebben. Geen probleem want we werden ’s morgens wakker gezongen door zogenaamde Hospitalerossen. Dat waren Nederlandse vrijwilligers van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob. Hospitaleros is een vrijwilliger die in zo’n pelgrimsherberg werkt. Hij zorgt voor de pelgrims die daar slapen.

Toen ik Roncesvalles verliet vroeg ik aan zo’n vrijwilliger, “moet ik een kaart kopen van Spanje?” “Je hoeft alleen de gele pijlen maar te volgen,” zei hij. “Een blinde kan hem nog wel lopen!” Later bleek dit ook het geval. Overal staat een gele pijl op. Maar dan ook werkelijk overal! Op huizen, bomen, je kunt zo gek niet bedenken of er staat een gele pijl op.

Ook slaapplaatsen zijn erin overvloed, waar je kunt slapen vanaf €5 tot €7,50. Niet overal luxe natuurlijk. Maar als je de hele dag gewandeld hebt maakt dat ook niet zo veel meer uit. Als je maar een bed hebt. Eten kan je er ook in overvloed. Menu de Peregrino €10 en dan krijg je er nog een flesje wijn bij ook. Ja, dat is heel wat anders dan in Frankrijk. Daar is alles veel duurder.

Na enkele grote plaatsen zoals Burgos en Léon, waar prachtige kathedralen staan, kwam ik aan bij voor mij één van de hoogtepunten van de Camino: Het Cruz del Ferro. Oftewel het ijzeren kruis. Hier leggen de pelgrims meestal een steentje neer waarop een boodschap staat. Of een foto van een geliefde die gestorven is. Iets met een speciale intentie. Ik heb daar meerdere keren iets neergelegd voor vrienden waar ik mijn Camino voor liep. Het kruis op zich stelt niet zo heel veel voor. Een houten paal met daarop een ijzeren kruis. Maar het verhaal erachter, dat is wat het doet.

Toen ik het plein in Santiago opliep belde onze zoon en vroeg waar ik was. Ik kon bijna niks zeggen, zo geëmotioneerd was ik op dat moment.

Daarna natuurlijk de Kathedraal bezocht en het graf van Saint-Jacques. Ook heb ik het levensgrote beeld van Saint-Jacques omarmd. Ik ben er enkele dagen gebleven. Daarna met de trein naar huis.

Mijn wandeling zat erop. Ik had er ongeveer 2500 km opzitten waar ik 70 dagen over had gedaan met 5 rustdagen. Achteraf veel te snel gelopen. De meesten doen er ongeveer 3 à 4 maanden over.

In 2007 begon het weer te kriebelen en kreeg ik weer heimwee naar die prachtige wandeling. Jawel, in april vertrok ik weer. Ook weer van huis. Nu volgde ik het oostelijke gedeelte van Frankrijk. Ze noemen dat de Camino Podiensis. Die route is veel zwaarder, maar ik vond hem nog veel mooier. Ik had besloten om er nu mijn tijd over te doen. Wat denk je? Ik liep er 80 dagen over, maar ik wandelde er wel 100 km achteraan naar het plaatsje Finisterre. Dat betekent het einde van de wereld. Daar verbranden dikwijls de pelgrims een kledingstuk om dan weer helemaal opnieuw te beginnen, zeg maar.

Nu ben ik ondertussen al negen keer onderweg naar Santiago geweest en ben ik 6 keer in Santiago aangekomen. De laatste wandelingen waren vanaf Sevilla, de Camino de La Plata of te wel de Zilverroute.

Ik zou zeggen begin er nooit aan, want het is echt een verslaving. Maar wel een gezonde verslaving!! Ondertussen wandel ik nog steeds met mijn maat Sjef en elke woensdag wandelen we met een groep fanatieke wandelaars naar Vessem. Daar drinken we een kop koffie, buurten wat en wandelen dan weer naar huis. Wie weet komen we elkaar onderweg nog eens tegen!